Het gebeurt zo snel: je hebt een beeld van iets en stelt dit niet meer bij.
Je ‘framed’ iets voor jezelf op zo’n manier waardoor je denkt te weten dat dit wél kan en dat niet.
Dat iemand A zal doen en B juist niet.
Zo reed ik laatst terug uit de praktijk, op m’n 🚲.
Verderop zag ik een jonge gast op zijn fiets.
Hij fietste al drinkend uit een blikje frisdrank.
Ik zag al snel dat het een blikje met een rode stier erop was. Je kent het wel.
Ik ging ervan uit dat hij, zodra hij het op zou hebben, het achteloos op de grond zou gooien.
Immers: wat er aan afval langs de kant van de weg ligt bestaat vooral uit deze blikjes. En ook nog blikjes bier, cola en sigarettenpakjes.
Ik vergeet er nog één: de verpakkingen van die snackbar met de grote M.
Dat hij het op straat zou gooien was mijn ‘frame’ op dat moment.
Maar er gebeurde iets heel anders.
De jongen minderde vaart.
En stopte bij een vuilnisbak langs de kant van de weg.
Zorgvuldig gooide het blikje in de bak.
Waaattt??!!!!
Serieus!!
Door mijn eigen generalisatie was ik stomverbaasd.
Generaliseren, het ‘overkomt’ ons allemaal.
Toch?
Weer een patiënt met rugpijn?
Ik geef ff wat core oefeningetjes.
Een patiënt met ventrale kniepijn?
Gewoon wat krachtoefeningen voor de Qceps.
Naast het feit dat deze kennis ernstig ‘over de datum’ is, hoe blijf je daarvan weg in je klinisch redeneren?
Hoe zorg je dat je niet te snel een patiëntenprobleem in een vakje stopt en daardoor niet meer kijkt naar het unieke individuele probleem? En daar dan een passende oplossing voor zoekt.
Het is iets waar je je iedere keer weer bewust van moet zijn.
Klinisch redeneren is maatwerk.
Gelukkig heb ik ook een stukje van de oplossing voor je.
Volg een cursus.
Eentje die je weer inspireert om naar dat individu met zijn unieke probleem te kijken.
Cognitive functional therapy bijvoorbeeld.
Of Acceptance & Commitment therapy.